HET KLEINE KERKJE

Een korte historie van een kunstzinnig magazijn
Bob Benschop | Streekarchief Voorne-Putten |

Geschiedenis van het Kleine Kerkje


Halverwege de zeventiende eeuw kwam de maritieme bedrijvigheid in Hellevoetsluis pas echt goed op gang. Tussen 1604 en 1621 was de oorspronkelijke afwateringsgeul uitgegraven tot een volwaardige haven waar de oorlogsschepen van de Rotterdamse Admiraliteit elk winterseizoen gestald konden worden. Er woonden rond die tijd amper honderd mensen rond de ‘Helvoetse Sluys’, maar in de daaropvolgende jaren groeide de nederzetting naarmate er meer werk te verrichten was.

 

Langs de kaden verrezen steeds meer gebouwen. Zo stonden er enkele tientallen woningen, werkplaatsen, pakhuizen en herbergen. De Staten van Holland lieten omstreeks 1610 langs de Oostzanddijk een houten kantoor bouwen, dat tijdens de werkzaamheden aan de haven onderdak bood aan de opzichter van de Gecommitteerde Raden (het dagelijks bestuur van de Staten van Holland). De Admiraliteit van Rotterdam richtte daarnaast diverse magazijnen voor de gereedschappen en materialen die gebruikt werden voor het onderhoud en uitrusten van de schepen.

Een kerkgebouw


Tussen 1636 en 1640 vond in Hellevoetsluis niet alleen het onderhoud en uitrusting van de oorlogsschepen van de Rotterdamse Admiraliteiten plaats, maar van alle fregatten van de vijf Admiraliteiten die de Republiek destijds telde. Die vier jaren droegen flink bij aan de groei van de haven. Het aantal woningen en inwoners nam aanzienlijk toe en in samenhang daarmee ontwikkelde er zich een sociale structuur in de kleine plaats. De behoeften aan bepaalde voorzieningen werd steeds sterker gevoeld. In 1640 dienden de inwoners van Hellevoetsluis bij de Staten van Holland en de Classis van Voorne-Putten het verzoek in om een eigen predikant te mogen hebben. Tot die tijd kerkten de Hellevoeters in Nieuw-Helvoet, maar daar kwam verandering in. Op 30 maart werd het verzoek door de Staten ingewilligd en op 2 oktober werd Roest Henrijck Weimans beroepen.

Omdat er geen kerkgebouw beschikbaar was, vonden de diensten plaats in het gebouw van Staten van Holland langs de Oostzanddijk. De nieuwe gemeente hield zijn eerste openbare godsdienstoefening op 17 januari 1641, waarbij Weimans als dominee werd bevestigd door dominee Steiaerd, de predikant van Nieuw-Helvoet.

Op de eerste pagina van het oudste notulenboek van de kerk worden alle veertig lidmaten bij name genoemd. In totaal zal Hellevoetsluis rond deze tijd zo’n tweehonderd inwoners hebben geteld. De lijst geeft een dwarsdoorsnede van de samenleving. De aanwezigheid van de vloot garandeerde voldoende werk, ook nadat in 1640 de vlootuitrusting weer aan de diverse Admiraliteiten verviel. De Admiraliteit van Rotterdam bleef Hellevoetsluis immers als marinehaven gebruiken.

 

Het Lands Huis

In 1661 kon na lang aandringen van de kerkelijke gemeente de eerste steen voor een eigen kerkgebouw langs de Oostzanddijk worden gelegd. Al die tijd bleven de kerkgangers gebruik maken van het naastgelegen gebouw van de Gecommitteerde Raden. De dijkgraaf van de polder Het Weergors schreef in 1688: ,,Jaren lang werd er kerk gehouden in een gemeenlands timmerhuis, dat zo bouwvallig en benauwd was, dat vele mensen niet ter kerk gingen. Het gebouw was zo slecht dat de Staten van Holland besloten dit timmerhuis af te breken.’’  Omdat het gebouw na een halve eeuw in verval was geraakt gingen de Staten van Holland over tot de bouw van een nieuw onderkomen.

Tussen 1662 en 1664 werd een complex gebouwen naar het ontwerp van de bekende bouwmeester Pieter Post gerealiseerd. Centraal stond het in classicistische stijl gebouwde Landshuis. Dit werd voortaan bewoond door de ‘Commies van ’s Lands Magazijnen’ , een hoge ambtenaar die namens de Gecommitteerde Raden van Holland toezicht hield op het reilen en zeilen in Hellevoetsluis. Hij had zijn woonvertrekken op de eerste verdieping, waar ook de logeerruimte was voor de bezoekende leden van de Gecommitteerde Raden. Op de benedenverdieping bevonden zich onder meer een vergaderruimte, een keuken en voorraadkasten. In de rijkelijk met houtsnijwerk en beschilderingen versierde staatsievertrekken van het Landshuis konden de Gecommitteerde Raden pronken met de welvaart van de marinehaven.

Aan weerszijde van het landshuis waren twee lagere pakhuizen gebouwd voor materialen en gereedschappen. Omstreeks 1665 moet dat nieuwe complex aan de Oostzanddijk een machtige indruk hebben gewekt: symmetrisch van opzet, gemetseld in strenge bakstenen en met een prachtige ligging aan de haven.

Het monumentale Landhuis dat geflankeerd werd door de twee magazijnen was dus in slechts drie jaar neergezet. Daarnaast was de hervormde kerk in aanbouw, maar daarvan duurden de werkzaamheden véél langer dan de bedoeling was. Door diverse tegenslagen nam de bouw ruim 25 jaar in beslag. Onder meer het verzakken van de toren zorgde ervoor dat de kerk pas in 1686 in gebruik kon worden genomen. Tussen 1666 en 1686 kerkten de Hellevoeters daarom in het rechts van het Landshuis staande pakhuis, dat daardoor de bijnaam ‘Het Kerkje’  kreeg.

 

Pakhuizen

Aan de linkerzijde van het Landshuis stond ‘Het Geweer- en Werkmagazijn’  dat later het ‘De Ruyterhuis’  werd genoemd. Deze naam is voortgekomen uit de onjuiste veronderstelling dat Michiel de Ruyter hier na zijn dood enige tijd opgebaard heeft gelegen. Datzelfde geldt voor de naam ‘Het Prinsenhuis’  die in zwang raakte omdat lange tijd ten onrecht werd gedacht dat stadhouder Willem III hier overnachtte voordat hij in 1688 de overtocht naar Engeland maakte om daar de troon op te eisen.

De twee aan weerszijde van het Landshuis staande gebouwen dienden eeuwenlang als werkplaats, magazijn en pakhuis. Het Kerkje werd in 1686 als zodanig buiten gebruik gesteld en vervolgens bestemd tot magazijn van geniegoederen en later ook tot bergplaats van de brandspuit. De suggestie dat er een Waag in gevestigd zou zijn is een poging uit de jaren zeventig om de historie van het pandje te romantiseren. Er is geen enkel bewijs voor de aanwezigheid van een waag in Hellevoetsluis. Dan hadden zich in de archieven bijvoorbeeld een ‘Instructie op de Waag’  moeten bevinden, aanstellingen van beëdigde waagmeesters en resultaten van de regelmatige ‘ijk van maten en gewichten’ . Het ontbreken van dergelijke archiefbronnen maakt het weinig aannemelijk dat er zich ooit een Waag in de Vesting heeft bevonden. Het Kerkje stond bijna 250 jaar vol met tonnen, kisten, gereedschappen en bouwmaterialen. Tot aan de Franse tijd hadden de Gecommitteerde Raden het complex in eigendom. Vervolgens kwam het in handen van het Rijk: het Ministerie van Oorlog en later Domeinen.

In de loop van het bestaan onderging het gebouwtje diverse kleinere en grotere verbouwingen. Zo kreeg het Kerkje aan het einde van de achttiende of begin negentiende eeuw een geheel nieuwe voorgevel.

 

Restauratie

 

Na enkele jaren onderhandelen nam de gemeente het Landshuis op 1 januari 1950 voor 16.800 gulden over van Domeinen. Tegelijkertijd werd ook Het Kerkje gekocht voor een onbekend bedrag, teneinde dit te bestemmen tot conciërgewoning en opslagplaats voor gemeentewerken. De plannen om er een woning in te maken gingen echter vanwege financiële redenen – de huur zou voor de conciërge te hoog zijn – niet door.

Enkele jaren later werd zuidwest-Nederland in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 getroffen door de Watersnoodramp. Hellevoetsluis had vijf slachtoffers te betreuren en de overstroming veroorzaakte een aanzienlijke schade aan woningen en bestrating. Voor het herstel van de schade kwamen vanuit de rijksoverheid allerhande riante regelingen, waar Hellevoetsluis gebruik van maakte om het Landshuis en omringende gebouwen te restaureren.

De restauratiecommissie kwam op 10 april 1961 voor het eerst bijeen. De kerk had gedurende de restauratie een plek nodig voor de erediensten en buitenkerkelijke activiteiten. Al snel kwam het Kleine Kerkje in beeld om wederom dienst te doen als ruimte voor de kerkgangers. Daarom kreeg de restauratie van het Kerkje voorrang op de overige gebouwen.

Op 31 oktober 1962 vond de aanbesteding plaats en gunning kon op 20 juni 1963 geschieden aan firma Huurman uit Delft. De restauratie kwam tot stand onder leiding van het architectenbureau Kruger uit Voorburg. Het schilderwerk werd verricht door Joop S. Racké uit Brielle, het loodgieterswerk door F.C. Klop uit Hellevoetsluis en het elektriciteitswerk door B. Hoogenboom uit Brielle.

Het Kleine Kerkje behield de voorgevel zoals deze eind 18e  of begin 19e  eeuw was aangebracht, maar het werd ontdaan van de witte pleisterlaag. Wel werd het monumentale, door de gootlijst heen brekende hijsvenster teruggebracht. Dit staat afgebeeld op een 18e -eeuwse tekening en in de kap werden sporen van een dergelijk hijsvenster aangetroffen. Het interieur werd in oude staat teruggebracht, maar voorzien van moderne gemakken als elektriciteit en een nieuwe verwarmingsinstallatie.

 

Het Kleine Kerkje

De gemeente sloot een huurovereenkomst van vijf jaar met de hervormde kerk. Tijdens de raadsvergadering sputterde de PvdA wat tegen – die vond drie jaar lang genoeg – maar de overeenkomst kreeg goedkeuring met meerderheid van stemmen. Op woensdag 11 maart 1964 vond de officiële overdracht aan de kerkgemeenschap plaats. Onder meer burgemeester jhr. T.A.J. van Eysinga hield een toespraak.

De Nieuwe Brielsche Courant besteedde uitgebreid aandacht aan de inrichting van het Kleine Kerkje in de editie van 13 maart 1964: ,,Het Kerkje, dat de ingang aan de Oostzanddijk heeft, betreedt men via een kleine hal, welke voert naar een zaaltje, dat een rood plavuizen vloer en kleine glas-in-lood ramen heeft. Een eikenhouten wenteltrap voert naar een balkon, dicht onder de binten, waar zich het orgel bevindt. De tweede etage, eveneens via een eikenhouten wenteltrap te bereiken, doet dienst als foyer. Uit wandlampen met glazen stolpen en de kroonlampen aan het balkenplafond straalt helder elektrisch licht. De aangename warmte in het zaaltje komt uit een oliestookinstallatie. Wat meer aangepast aan de vroegere tijd zijn de 72 kerkstoelen.’’

 Op zondag 15 maart 1964 nam de gemeente het Kerkje in gebruik met een dienst door dominee G. de Leeuw. Bijna vijf jaar later, op 10 december 1968, werd de gerestaureerde kerk in gebruik genomen. Het Kleine Kerkje kwam leeg te staan, in afwachting van een nieuwe bestemming.

 

Tentoonstellingsruimte

,,Netty Willems slenterde in december 1968 door de vesting en stuitte op het kleine kerkje’’ , zo begon Willy Zandvoort haar verhaal in de Delta Courant van 23 februari 1972 over de geschiedenis van de Aktiegroep Tentoonstellingen. ,,Ze dacht toen dat het zonde was dat dit toch leuke gebouwtje zo plompverloren en doelloos midden tussen de andere oude geveltjes van het Hellevoet binnen de wallen stond. Mevrouw Willems, die in Rotterdam ook al actief in de kunst bezig was geweest, kwam op het idee er een cultureel centrum van te maken. Toen eenmaal dit idee geboren was, had ze snel een groep van ongeveer acht actieve mensen om zich heen verzameld, die zich Aktiegroep Tentoonstellingen noemde. Eerst had men nog wel gedacht in de richting van toneel en declamatie, maar tentslotte is men bij tentoonstellingen gebleven omdat dit het gemakkelijkst te realiseren bleek te zijn.’’

Op 9 september 1969 opende burgemeester J.A.A. Aarse de eerste tentoonstelling in het Kleine Kerkje. Onder de titel ‘In Brons Bestendigd’  stonden diverse sculpturen opgesteld. Tijdens de bijeenkomst uitte de burgemeester de wens, ‘dat in het aardige en mooi gerestaureerde gebouwtje meerdere manifestaties gehouden zullen worden’ . Die hoop wist de Aktiegroep de daaropvolgende tien jaar met veel succes werkelijkheid te laten worden. Het eerste jaar was evenwel niet eenvoudig: er was een flink kastekort en de uitnodigingen, affiches en stencils moesten geheel uit eigen zak betaald worden. De gemeente stelde een bescheiden subsidie beschikbaar en de Aktiegroep mocht gebruik maken van de stencilmachine.

Het Kleine Kerkje was op dat moment de enige tentoonstellingsruimte op Voorne. “Het blijft daarom nog altijd een beetje pionieren” , vervolgde Willy Zandvoort. ,,Niet dat ik over belangstelling te klagen heb, want de tentoonstellingen worden altijd druk bezocht. Voor het houden van tentoonstelling hebben we na het eerste moeilijke jaar een vaste kern van 80 leden, die jaarlijks f 10,- betalen ter ondersteuning van de Aktiegroep. Aan hen en aan de subsidie van de gemeente is het te danken dat we jaarlijks zo’n 13 tentoonstellingen kunnen organiseren. De tentoonstellingen zijn voornamelijk gericht op de verkoop. Jonge kunstenaars, die hun werk bijna nooit kunnen tonen, hebben die stimulans nodig. Bij ons komen ze dan graag exposeren, omdat ze geen huur hoeven te betalen.’’

Tijdens de meeste tentoonstellingen exposeerden twee of meer kunstenaars hun werken, die waren vervaardigd met verschillende technieken. In de loop der jaren hingen en stonden in het kerkje honderden aquarellen, wandkleden, tekeningen, olieverfschilderijen, pentekeningen, keramiek, collages, lino’s, beeldhouwwerken, plastieken, grafieken en houtconstructies.

Het waren werken van experimentele aard of juist op klassiek wijze gemaakt. De kunstenaars kwamen uit alle hoeken van het land, zoals Den Haag, Rotterdam en Drenthe, maar ook velen uit de regio Voorne-Putten, zoals Arie Meuldijk uit Spijkenisse, Iet Lievaart uit Brielle, Gabriel Stahlie uit Geervliet, Inge de Waard uit Zwartewaal, Beunderman uit Oostvoorne, de heer van Noort uit Geervliet. De bekende Brielse kunstenaars M.L. Middelhoek en P. Middelhoek hielden in december 1971 een familie-expositie.

De initiatiefneemster Netty Willems lichtte in het artikel in de Delta de achtergrond van de naam ‘Aktiegroep Tentoonstellingen’ toe: ,,Natuurlijk, actie moet er steeds blijven. We doen dat ook met opzet, omdat we geen dure woorden als ‘ galerie’ en ‘ expositie’ willen gebruiken. We willen de gewone man graag naar de tentoonstellingen trekken. Zonder dure woorden en zonder veel poespas. En dat lukt heel aardig. Soms zijn er tentoonstellingen met 400 bezoekers.’’

 De cijfers bevestigen het succes van de galerie in het Kleine Kerkje. In oktober 1973 had de Aktiegroep al 35 tentoonstellingen georganiseerd en in maart 1975 passeerde de teller de 15.000 bezoekers.

 

Onderbrekingen

Er waren twee momenten waarop de Aktiegroep voor langere tijd geen exposities in het Kerkje kon organiseren. De eerste was de periode na de brand in het noodgebouw dat achter het gemeentehuis stond. In de nacht van donderdag 21 op vrijdag 22 februari 1974 werd het volledige secretariegebouw verwoest, waarna diverse gemeentelijke afdelingen een tijdelijk onderdak nodig hadden. In het Landshuis kwamen personeelszaken, huisvesting en onderwijs, in het De Ruijterhuis kon men tijdelijk terecht voor interne zaken en financiën en in het Kleine Kerkje werd een noodloket voor burgerzaken ondergebracht. Naderhand vonden hierin nog enkele wijzigingen, zo bood het Kerkje later onderdak aan de afdeling financiën. In december 1974 kreeg de Aktiegroep weer beschikking over het Kerkje. Op 20 december vond de opening plaats van een expo met werken van de Hellevoetse kunstenaars Maarten Walters en Hank Hooreman.

Het tweede moment werd veroorzaakt door de brand die op zondag 18 januari 1976 de voormalige machinistenschool grotendeels in de as legde. Hierdoor zaten drie verenigingen zonder clubgebouw: de duivenvereniging De Blauwe Doffer, een zang- en hobbyclubje en Judovereniging Tori. De judovereniging kreeg tijdelijk onderdak in het Kleine Kerkje, waardoor de Aktiegroep alle tentoonstellingen de rest van dat jaar moest afgelasten.

 

Ontwikkelingen

 

In 1978 vond een expositie plaats van de Hellevoetse historicus Cees van den Heuvel. Bij de opening vestigde hij de aandacht op de maquette van Hellevoetsluis uit 1834 die zich in de collectie van het Rijksmuseum bevond en opperde de mogelijkheid om die voor een tentoonstelling naar Hellevoetsluis te halen. Daarmee ging burgemeester C. de Cloe aan de slag en hij wist in 1980 een overeenkomst te sluiten met het Rijksmuseum. De gemeente betaalde de 50.000 gulden kostende restauratie van de maquette en kreeg het museumstuk in ruil daarvoor in langdurige bruikleen.

Intussen organiseerde de Aktiegroep diverse andere exposities. Het Kleine Kerkje fungeerde bovendien als podium voor andere tentoonstellingen. Zo vond in januari 1981 een informatiedag plaats over kernenergie, waarbij muziekgroepen, de wereldwinkel, het Interkerkelijk Vredesberaad en studenten van de Technische Hogeschool in Eindhoven aandacht schonken aan alternatieven voor kernenergie. In dat kader opende wethouder Hollaar in het Kerkje de tentoonstelling ‘Leefbaar is anders’, dat milieuvriendelijke energiebronnen promootte.

In de loop van 1982 werd echter duidelijk dat het einde van de Aktiegroep nabij was. De gemeente liet haar oog vallen op het Kleine Kerkje om de maquette tentoon te stellen. De Aktiegroep reageerde aanvankelijk verheugd, want de maquette zou als centraal punt een waardevolle aanvulling zijn voor de maandelijkse wisselende exposities aan de wanden. De gemeente wilde echter het hele pand omvormen tot museum over de maritieme geschiedenis van Hellevoetsluis. Ondanks de succesformule waarmee de Aktiegroep jaarlijks 3000 bezoekers wist te trekken, werd de stekker eruit getrokken. Op 26 september 1982 eindigde het contract en de volgende dag moest het Kerkje leeg worden opgeleverd. Een alternatieve locatie voor het houden van exposities bleek niet voor handen. In het Cultureel Centrum De Veste kon eventueel in de hal met wat kunstwerken worden geëxposeerd, maar daar zag de Aktiegroep niet veel in. Nadat er nog enkele exposities in de bibliotheek waren georganiseerd, viel het doek na dertien jaar het doek voor de Aktiegroep.

 

Gesigt van ‘t Dok

Tussen 1983 en 2006 was het Kleine Kerkje ingericht als museum Gesigt van ’t Dok, dat onder auspiciën stond van de Stichting Historie Hellevoetsluis. De maquette uit 1834 stond centraal, maar de vaste opstelling bevatte ook andere voorwerpen van onder meer het Maritiem Museum Rotterdam. De bezoekers maakten aan de hand hiervan kennis met de ontwikkelingsgeschiedenis van de haven, de marinewerf, het stadje en de vestingwerken van Hellevoetsluis. Ook de omvangrijke modernisering van de haven die tussen 1798 en 1810 onder leiding van Jan Blanken werd uitgevoerd kwam in de expositie aan de orde, evenals het wonen en werken in Hellevoetsluis in het begin van de negentiende eeuw. Het balkon en de bovenverdieping van het museum werden ingericht voor wisselende exposities en evenementen.

De oprichting van het museum was mogelijk door de grote financiële bijdrage die de Stichting Fonds Voorne, Putten en Rozenburg beschikbaar stelde. Ook Stichting Marinestad deed een duit in het zakje, zodat de plannen in de winter en voorjaar van 1983 gerealiseerd konden worden.

Op vrijdag 17 juni 1983 opende Andre van der Louw, de pas benoemde voorzitter van het Openbaar Lichaam Rijnmond, het nieuwe museum. In een uitzending van ‘Van Gewest tot Gewest’ kwam de gerestaureerde maquette uitgebreid aan de orde.

Het museum had geen eigen collectie: alles was in bruikleen van andere musea. Dat zorgde ervoor dat er zo nu en dan voor korte of langere tijd moest sluiten omdat objecten aan andere musea waren uitgeleend. In oktober 1993 ging ’t Gesigt van het Dok enkele maanden dicht omdat een kwart van alle voorwerpen terug moesten naar het Maritiem Museum voor inventarisatie, registratie en eventuele conservatie.

In april 1994 werd de bovenverdieping van het museum uitgebreid met een permanente expositie over de Overtocht van Willem III in 1688. De Stichting Willem III en Mary had hiertoe het initiatief genomen en onder meer een nieuwe maquette laten vervaardigen. Dit was volgens professor Bachrach ‘de kleinste weergave van de grootste logistieke operatie’ . Het gaf een impressie van de 300 schepen die deelnamen aan de overtocht, die de grootste bevrijdingsvloot in de geschiedenis vormde tot D-Day in 1944. Bachrach hield een toespraak aan de genodigden, onder wie de Britse ambassadeur in Nederland, Sir David Miers.

In 1997 sloot het museum de deur voor twee jaar omdat het Maritiem Museum opnieuw stukken terughaalde na aanscherping van het bruikleenbeleid. Er kwam ook kritiek op de omstandigheden waarin de collectie werd tentoongesteld en onderhouden. De bruiklenen met het Rijksmuseum en Legermuseum konden wel probleemloos worden verlengd, en uiteindelijk opende het Gesigt van ’t Dok in mei 1999 opnieuw de deuren, waarbij lacunes waren opgevuld met objecten uit de collectie van de Oudheidkamer.

 

Laatste jaren

Het museum Gesigt van ’t Dok werd uiteindelijk opgedoekt door tegenvallende bezoekersaantallen. De maquettes en andere museale objecten werden in mei 2006 overgebracht naar het nabijgelegen nieuwe bezoekerscentrum De Veste in de vroegere Machinistenschool. Hierin konden musea zich presenteren en kreeg het VVV met de ANWB-winkel een plek. Het Kleine Kerkje kwam leeg te staan en werd bestemd voor de verkoop. In de zomer van 2006 deed het dienst als Centrale Post tijdens de Vestingstedendagen, en ook tijdens diverse edities van de Vestingdagen en de IJsbaan werd het door vrijwilligers gebruikt. Tussen 2007 en 2009 gebruikte het Albedacollege het Kerkje als leerwerkloket en lesruimte waar studenten uit het vmbo en mbo zich voorbereidden op een stageplek in de vesting.